Beelddenken en de basisschool

Tijd en volgorde
In ons onderwijs ligt de nadruk vooral op seriële informatieverwerking (lezen, spellen, algoritme en procedures bij rekenen). Beelddenkers hebben hier moeite mee. Zij willen de informatie simultaan (gelijktijdig).

In groep 2 vallen beelddenkende kinderen in dit proces al op. Ze zien en horen niet de woorden met hun afzonderlijke letters, maar de beelden die vertellen wat het woord betekent.

Ze onthouden niet wat ze zien van een woord, maar ze onthouden wat ze ervan weten.

Eigen taalgebruik
Beelddenkende kinderen passen woorden aan die voor hen geen betekenis hebben. Aan klanken die ze wel begrepen hebben voegen ze de essentie van de belevenis toe die ze erbij hebben. Bijvoorbeeld: botaniseertrommeltje wordt steevast boterham-marcheer-trommeltje genoemd. Je loopt er immers mee door de natuur en je boterham zit erin.

Beelddenkende families kunnen zo een geheel aan eigen woordenschat opbouwen die alleen zij begrijpen.

Beelddenkers vertalen ervaringen in klanken en woorden die ze in beelden kunnen weergeven. Op grond van hun beelden komen beelddenkers tot conclusies, waarbij een grote woordenschat niet belangrijk is. Alles wat zij willen vertellen speelt zich in hun hoofd als af in beelden. Het nadeel is dat ze deze beelden achteraf in woorden moeten vertalen. Een goed samenhangend verhaal vertellen is dus erg moeilijk. Waar begin je en wanneer is het afgelopen? Een beeld heeft geen begin en geen eind, een verhaal wel. Doordat beelddenkers hun eigen taalgebruik ontwikkelen en gebruiken is het voor andere moeilijk om te volgen wat er wordt verteld.

In geschreven verhalen zullen woorden waar geen beeld bij te vormen valt niet veel voorkomen of ontbreken. Wanneer een beelddenker zijn eigen verhaal voorleest dan worden deze betekenisloze woorden wel opgelezen terwijl ze er niet staan. Hij vertelt zijn verhaal dus via zijn geheugen.

Het controleren van hun eigen verhaal op spellingsfouten is dan ook heel erg moeilijk. Ze lezen niet wat er staat maar het verhaal dat er in hun hoofd afspeelt. Ze lezen wat ze denken dat er staat.

Snel denken
Beelddenkers zoeken naar overeenkomsten. Ze voegen nieuwe informatie toe aan dat wat ze al weten of hebben ervaren. Het beeld in hun hoofd wordt daardoor telkens groter en meer omvattend en chaotischer. Er zit geen structuur in.

Wanneer je in taal denkt kun je per seconde ongeveer 3 a 4 beelden per seconden vormen. Een beelddenker denkt tot 32 individuele beelden per seconden. Dat betekent dat een beelddenker 16 keer zoveel gedachten per seconden verwerkt. Deze beelden kan een beelddenker niet allemaal afzonderlijk waarnemen. De 32 beelden per seconden worden onbewust bekeken. Hierdoor zijn ze zich niet bewust van het proces, van hoe ze tot een antwoord gekomen zijn.

Eigen werkelijkheid
Beelddenkers denken met al hun zintuigen. Ze zien, horen en voelen wat ze denken. Hierdoor kunnen ze ervaren wat er in hun hoofd afspeelt.

Door deze manier van denken kunnen ze gedesoriënteerd raken: ze zien niet waarnaar ze kijken, maar wat ze denken. Ze kunnen dingen in hun hoofd driedimensionaal bekijken. Ze kunnen dingen vanuit allerlei oogpunten bekijken. Ze hebben hierdoor een heel goed ruimtelijk inzicht (dit blijkt uit een onderzoek van Nel Ojemann)

Het onderwijssysteem
Ons onderwijssysteem is verbaal en sequentieel ingesteld. Beelddenkers verwerken de informatie met al hun zintuigen tegelijk: horen, zien, voelen, doen en ruiken. Alleen op deze manier zijn ze in staat een beeld te vormen bij de stof, het te verwerken en te onthouden. Op de meeste basisscholen is de manier van lesgeven veel gericht op het verbale (de leerkracht vertelt/legt uit). Beelddenkers willen liever de dingen zien en doen.

Werktempo
Beelddenkers hebben heel veel tijd nodig om alle informatie in hun hoofd te vertalen naar een beeld en dat beeld weer om te zetten in woorden. Instructie en uitleg gaan voor beelddenkers veel te snel, ze kunnen er geen beeld bij maken waardoor ze de informatie niet begrijpen en op achter raken.

De leesmethoden zijn bijna allemaal analytisch, terwijl de beelddenkers bij de verschillende letters (los aangeboden) geen beeld hebben. Woorden hebben voor hen betekenis, een beeld, maar bij letters kunnen ze geen beeld vormen.

Pedagogisch klimaat
De sfeer in de klas beïnvloedt het al dan niet krijgen van leerproblemen, omdat beelddenkers hiervoor erg gevoelig zijn. Als het pedagogische klimaat in de klas niet goed is, zal dit waarschijnlijk negatieve invloed hebben op de prestaties van de beelddenker.

Door inzicht te hebben in het denkproces van de beelddenkers en hier op in te springen kan je veel problemen voorkomen en begeleiden. Wanneer je zorgt voor een goed pedagogisch klimaat, waarin de kinderen zich veilig voelen, wordt een positief ontwikkelingsklimaat geboden. Belangrijk is dat je als leerkracht weet dat de beelddenkers anders denken en dat je weet hoe je daarmee om kan gaan.

Ordening en structuur
De omgeving en de leerstof moeten voor de beelddenker heel duidelijk geordend zijn. Bij het spreken moet de leerkracht er op letten dat hij duidelijk spreekt en niet te snel. Op die manier kan de beelddenker de informatie goed verwerken. Houdt de instructie kort, maar heel duidelijk. Zorg ervoor dat er niet te veel informatie in een keer wordt gegeven.

Een beelddenker wil
graag het geheel zien.

Biedt leerstof aan doormiddel van: zien, horen en voelen. Geef het kind alvast een beeld erbij zodat hij dat zelf niet hoeft te bedenken. Op deze manier ervaart de beelddenker de leerstof. Voorbeelden van hoe te handelen zijn daarbij erg belangrijk. Details in opgave moeten duidelijk worden gemaakt, omdat beelddenkers die dingen over het hoofd zien. Probeer je methode aan te passen aan de leerling. Verander af en toe opdrachten of sla opdrachten over en biedt het op een andere manier aan. Wanneer je wilt dat de beelddenker tot leren komt is het belangrijk dat de beelddenker ervaart wat het nut is van de aangeboden stof.

Sta het eigen, meestal verkorte woordgebruik van de beelddenker toe en breidt het uit. Geef de beelddenker de kans om zich uit te kunnen drukken, ook al is dat in zijn eigen taalgebruik. Beeldenken, schoolbord
Stimuleren
Positief stimuleren en belonen is vooral voor beelddenkers van groot belang. Onthoudt daarbij dat beelddenkers alles letterlijk opvatten, grapjes zijn voor hen niet altijd leuk.

Geef negatieve feedback altijd taakgericht en niet persoonsgericht. Wanneer je persoonsgerichte feedback geeft kan een leerling faalangst ontwikkelen. Positieve feedback kan zowel persoonsgericht als taakgericht. Dit bevordert een positief zelfbeeld.

Trucjes en dingen uit het hoofd leren, hebben weinig effect. Beelddenkers leren door te verwerven van inzicht en doorzicht in materie. Geef goede feedback op fouten. Laat ze zelf nakijken en zo de fouten ontdekken. Leg de fouten die gemaakt zijn uit zodat ze begrijpen wat ze fout deden en hoe ze dat de volgende keer wel moeten doen.

Inzicht in het eigen denkproces en in de oplossingsstrategieën zijn van belang om het proces wat er in hun hoofd afspeelt te kunnen begrijpen en er vat op te kunnen krijgen.

Laat beelddenkers hun eigen oplossingsstrategie gebruiken. Meestal werken de aangeboden strategieën niet. Zoek samen met de beelddenker naar een voor hem passende en kloppende strategie.

Probeer de relatie tussen de leerkracht en de beelddenker heel open te houden. De beelddenker moet weten dat hij door zijn manier van denken het een en ander wel niet zo goed kan. Hierdoor kan hij ook gaan begrijpen waarom hij sommige dingen anders moet aanpakken. De leerkracht zorgt ervoor dat de beelddenker niet gaat denken dat hij dom is.

Lezen in groep 1 en 2
Wanneer beelddenkers moeten leren lezen is het belangrijk te begrijpen dat schrijven aan lezen vooraf gaat. Op die manier begrijpt een beelddenker het doel van de letters die hij leert. De letters krijgen een betekenis, want als je ze opschrijft kan iemand anders of de beelddenker zelf lezen wat er staat. Om iets te kunnen lezen, moeten de te lezen stukken eerst geschreven worden. Daarom is het belangrijk, dat letters bij het leren lezen centraal gesteld worden.

Kinderen ontwikkelen zich naar hun eigen kunnen.

 
De oren blijven
achter bij de ogen.
 
Methodes en begeleiding van de leerkracht spelen daarin een ondergeschikte rol. De ontwikkelingsprocessen van kinderen lopen niet synchroon. Kinderen bevinden zich in verschillende fasen van het taal-leesproces.

Om goed aan te sluiten bij het ontwikkelingsproces van kinderen is het heel belangrijk te differentiëren. Door goed te observeren, kun je ontdekken in welke fase van het taal-leesproces kinderen zich bevinden. Als leerkracht kun je richting geven aan de ontwikkeling van deze fasen, door de juiste materialen op tijd aan te bieden.

Bij families waar veel familieleden beelddenkers zijn, zullen vaak de meest rare woorden gebruikt worden. Deze families bedenken hele nieuwe woorden of verbasteren woorden. Doordat er veel als beelddenker denken, zal dit als “normaal” worden ervaren omdat vele in die familie zo denken.

Wanneer een beelddenker een woord verkeerd uitspreekt is het belangrijk dit direct te corrigeren. Dit voorkomt dat de beelddenker het woord verkeerd onthoudt. Beelddenkers zien de bewegingen van de mond van een ander persoon niet wanneer die praat. Hierdoor gebruiken ze niet alle spieren in de mond en articuleren ze niet/weinig.

Verkleind lettersysteem
Het verkleind lettersysteem (ontwikkeld/bedacht door Bureau Ojemann) is een preventief om met “risicoleerlingen” uit groep twee aan het werk te gaan. Risicoleerlingen zijn kleuters die met name door hun manier van informatieverwerking en –verwerving uit de boot dreigen te vallen binnen ons onderwijssysteem.

Het is belangrijk om deze kleuters vroegtijdig te signaleren, zodat een begin kan worden gemaakt met het voorbereidend lezen door middel van het verkleind lettersysteem.

In groep 1/2 staat de ontdekking van de letter naar de klank en het teken centraal ter voorbereiding van het leren lezen.
Het doel van het verkleind lettersysteem is om elke kleuter de gelegenheid te geven op zijn eigen wijze en tijd het lezen te laten ontdekken als communicatiemiddel.

Halverwege groep twee kunnen kleuters zich met dit systeem vast voorbereiden op het aanvankelijk en technisch leesonderwijs in groep drie. Door de kleuters kennis te laten maken met de verschillende fasen in het leesproces krijgen zij in groep drie uiteindelijk een voorsprong van enkele maanden. Dit kan net dat steuntje in de rug zijn voor de trage starters. Er wordt met zes geselecteerde letters plus twee letters uit de eigen naam gewerkt. De aanbevolen letters zijn: oo – m – k – a – t – s en daarbij twee letters uit de eigen naam van het kind om de herkenbaarheid te vergroten.

Deze letters kan je multifunctioneel intrainen (methode Fernald). Dit betekent dat er gebruik wordt gemaakt van alle functies/leeringangen van het kind: visueel, auditief, tactiel, motorisch en ritmisch. Op deze manier doorlopen de kinderen de verschillende fasen van het leesproces:

  1. Oriënteringsfase
    Door het lezen te laten ontdekken als communicatiemiddel, wordt de behoefte opgewekt om te leren lezen. Te denken valt hierbij aan rijmen, voorlezen, spontaan woordjes leggen, letters natekenen, letters overtrekken, letters uitprikken, letters stempelen.

    Kinderen kunnen zelf nog niet lezen, maar ervaren de woorden die zij maken wel gelezen kunnen worden.

  2. Overgangsfase
    Door de leesvoorwaarden spelenderwijs te oefenen, wordt de wil ontwikkeld om te leren lezen. Het kind gaat gericht het materiaal verkennen door te categoriseren, te rubriceren, te groeperen en te vergelijken. Het kind ontwikkeld de wil om te leren lezen.
  3. Systematische fase
    De fase waarin wordt overgegaan op de leesmethode. De kinderen zijn beland op een dusdanig niveau dat zij in staat zijn om te leren lezen.
  4. Oefenfase
    Gebruik alle hulpmiddelen van het lichaam om dingen te leren: zien, proeven, voelen, ruiken, horen.
    Deze fase is bedoeld om de leervaardigheid in te oefenen, De kinderen willen kunnen communiceren en dat zorgt ervoor dat zij blijven kezen. De aangeboden stof moet de kinderen stimuleren.
Lezen in groep 3
Het blijkt dat er rond de kerst nog altijd kinderen zijn die niet mee kunnen komen met de leesmethode. Het kan helpen om tijdelijk een andere leesmethode te gebruiken of individuele hulp te geven via bijvoorbeeld de RT. Wanneer kinderen in het voorjaar in groep 3 nog steeds moeite hebben met de leesmethode kan je zien als risicoleerlingen.

Bij beelddenkers is het automatiseren van de letters het grootste probleem. Slimme beelddenkers onthouden de woorden in hun geheel (het woord boom kunnen ze lezen, want het woord heeft twee rondjes) of ze anticiperen op de tekst omdat ze de context goed kunnen gebruiken. Deze kinderen komen meestal ongemerkt in groep 4, ze kunnen eigenlijk niet lezen, maar zijn gewoon slim.

Beelddenkers zien de letters in 3d, het beeld draait rond waardoor de letter veranderd van vorm maar ook van betekenis
Wanneer je woorden als boom en boot naast elkaar plaatst of je laat deze kinderen niet bestaande woorden (pseudo-woorden) lezen, dan vallen deze kinderen door de mand. Ze kunnen nu niet afgaan op de context of de herkenbare delen van een woord.

Op de meeste scholen wordt het AVI niveau bepaald door het lezen van bestaande woorden. De KLEPEL-leestest gebruikt pseudo-woorden. Deze test is aan te raden zodat de slimme gokkers en raders hiermee door de mand vallen en je de kinderen op een andere manier kan/moet gaan helpen.

Bij de methode Het Leeshuis gebruiken ze ook geen vaste woorden. De ervaring leert dat het snel “goochelen” met de geleerde letters lezen bevordert. Je krijgt immers geen kans om woorden te raden/gokken. Je moet ze echt lezen als je wilt weten wat er staat.

Beelddenken met boom
Spellen
Kinderen kunnen in het begin veel moeite hebben met het leren spellen en schrijven tegelijk. Door te beginnen met het stempelen van woorden kunnen deze problemen voorkomen worden. Daarnaast is het stempelen een goede oefening in het verkennen van de lettertekens, door het zoeken en terugplaatsen op de juiste plek in de stempeldoos.

Er zijn drie soorten woorden:

Luisterwoorden (fonetische woorden)
(balkon, voetbal) Dit zijn woorden die je kunt beluisteren. Je schrijft wat je hoort. Beelddenkers hebben hier weinig moeite mee.

De volgorde van de letters in een woord maar ook de volgorde van de woorden in een zin, spreekt niet echt aan. Het plaatje in hun hoofd is toch duidelijk?!?

Regelwoorden (woorden waarvan de spelling aan een regel verbonden is)
(brood, wordt) Deze woorden zijn te leren en zullen uiteindelijk geen problemen opleveren.

Leerwoorden
(trein, hout, vogel, fiets) Deze woorden bevatten elementen die je gewoon moet onthouden/leren. Hiermee hebben beelddenkers de meeste moeite. Alleen door bij deze woorden een beeld te maken zal de schrijfwijze worden geautomatiseerd.

Laat de kinderen de spellingsregel zelf ontdekken, zodat ze de regel gaan begrijpen en ze dus ook instaat zijn om de regel toe te passen. Op deze manier krijgen ze inzicht in de structuur van de taal, ze ontdekken dat spelling niet zo moeilijk is en dat er logica achter zit.

Je kunt een woordlijst aanleggen, zodat de kinderen de overeenkomsten gaan ontdekken tussen de verschillende woorden. Zijn er meer woorden met een ei of een ij? Staat de f meestal vooraan in een woord of in het midden? Zijn er meer woorden met de ou of de au?

Je kunt de kinderen ook zelf woordlijsten laten aanleggen onder kapstokwoorden.

Rekenen
Rekenen is een specifieke vorm van denken. Je kunt sturend handelen in het verwerven van de rekenvoorwaarden. Leren denken, leren ordenen van ervaring, leren relaties aan te brengen tussen ordeningen kan worden gestimuleerd.

Een beelddenker heeft moeite met het verwerken van seriële informatie. Dat is informatie waarbij volgorde (sequentie) en tempo (tijd) belangrijk zijn.

Om het rekenen te kunnen leren moet een beelddenker zicht de volgende begrippen eigen maken:

  • Tijdsbesef
  • Sequentie, de wijze waarop de dingen elkaar opvolgen
  • Orde, de dingen op de juiste plaats, in de juiste positie en in de juiste omstandigheden/procedures
Wanneer ze deze drie begrippen beheersen dan kunnen ze met tellen beginnen. Wanneer kinderen deze drie begrippen niet beheersen, wordt het leren rekenen beperkt tot het uit het hoofd leren. De mate waarin zijn het rekenen kunnen aanwenden, wordt beperkt door hun vaardigheid om de uit het hoofd geleerde strategieën te onthouden.

Beelddenkers werken op zicht en doorzicht, pas dan kunnen ze leren. Ze verwerken informatie simultaan. Beelddenkers zien de gehelen en van daaruit werken ze.

De beelddenker mist het inzicht in de temporele ruimte (verleden en heden) en de sequentiële ruimte (de volgorde van gebeurtenissen). Dit kan problemen geven bij:

  • Op tijd komen, klokkijken (geen horloge om hebben)
  • Dagen van de week
  • De maanden, seizoenen, jaarverdeling
  • De dagindeling (ochtend, middag, avond, nacht)
  • Begrippen als gisteren, morgen en vandaag
  • Onthouden van procedures